Van hostel naar Huayna Potosi; Wat je kan verwachten in Zuid Amerika.
Geen ervaring, maar wel de ambitie? De gedachte om een zesduizend meter hoge berg te beklimmen, maar is het prijskaartje te hoog? Dan heb je je vast wel eens verdiept in Zuid Amerika. Het continent waar veiligheid een geluksfactor is, en niet een standaard. Waar prijzen absurd laag zijn en klimtochten aangeboden worden in feest hostels. Geen vereisten, anders dan een krabbel op het formulier zetten en gaan. Althans dat is mijn ervaring.
Alhoewel ik zelf wel ervaring heb met hoogtemeters en tot op zekere hoogte ook bergbeklimmen, was ik destijds nauwelijks gekwalificeerd om een berg als Huayna Potosi te beklimmen. Een berg van 6088 meter hoog die bij veel rugzaktoeristen in Bolivia op hun lijst staat. En laat mij je vertellen dat een groot deel van de gegadigden die ik tegen het lijf gelopen ben een fractie van mijn ervaring had, of sterker nog, helemaal geen ervaring had. Wat ze allemaal wel hadden was honderd Amerikaanse Dollars en een goede dosis vertrouwen in henzelf in combinatie met een vleugje gestoordheid.
En dus, voordat ik mijzelf uberhaupt voor deze monstertocht zou inschrijven had ik urenlang het internet af gespit op zoek naar meer informatie over de berg en de bijkomende veiligheidsrisico's. En die speurtocht zou de meeste mensen al afschrikken. Maar ik ben op zoek naar een unieke kans, net zoals vele andere en laten we eerlijk zijn, mocht het te gevaarlijk worden, draai ik om. Toch?
“But there are men for whom the unattainable has a special attraction. Usually they are not experts: their ambitions and fantasies are strong enough to brush aside the doubts which more cautious men might have. Determination and faith are their strongest weapons. At best such men are regarded as eccentric, at worst, mad…
Everest has attracted its share of men like these. Their mountaineering experience varied from none at all to very slight, certainly none of them had the kind of experience which would make an ascent of Everest a reasonable goal. Three things they all had in common: faith in themselves, great determination and endurance.”
Walt Unsworth
Daar zit ik dan, met vijf andere in een microbusje, ook wel collectivo genoemd en ben ik onderweg naar het basis kamp, gelegen op een hoogte van 4800 meter. Stuiterend over een onverharde weg vult de cabine met stof en passeren wij een begraafplaats die de rillingen over mijn rug doet springen. Het maakt de sfeer er niet beter op en vult mijn hoofd met kwade gedachten. Ondertussen probeert een van de jongens als een boer met kiespijn de stemming te verbeteren en gooit wat Britse humor in het midden. Iedereen lacht zwakjes.
Als ik zo naar de andere jongens in het busje kijk, sta ik versteld wat voor mensen zich aangetrokken voelen naar een berg als Huayna Potosi om een tocht als deze ondernemen. Nooit gewandeld, nooit op hoogte geweest. Bergen? Ben je gek! Ik kom uit de stad. En dan doen ze ook nog eens de tweedaagse, versnelde versie omdat ze voor zaterdag thuis willen zijn, want Halloween, dat willen ze niet missen. Aan diezelfde individu kan jij met touw bevestigd worden, ofwel je lot overgelaten worden. Het spoort niet.
Inmiddels duikt tussen al het gesteente en stofwolken een niet te missen silhouet op, een omtrek die ik herken van de vele uren op het internet speuren. Huayna Potosi. In werkelijkheid een stuk angstaanjagender dan op de foto. Met een hoogte van 6088 meter steekt hij met hoofd en schouders ver boven de andere bergen uit en vraag ik mij af waar ik mij in godsnaam voor ingeschreven heb.
Wind is toegenomen, ademhaling is toegenomen, hoogte is toegenomen en daarmee zijn de problemen toegenomen. Angst heerst in de stenen hut, die hier de bijnaam basis kamp heb gekregen maar in werkelijkheid niet meer dan een paar vlot geplaatste stenen is, en de aangewezen plek is waar wij vanavond mogen verblijven. De realiteit is er bij ons in gehamerd door een tweetal die net teruggekomen zijn van de top. Voor het eerst hoor ik waar het daadwerkelijk om draait. Welk beest ik moet temmen en waarmee ik in de ring zal staan. Het gevaarte dat door het tweetal beschreven wordt staat in stark contrast met het internet. Als ik hun moet geloven is het een mythisch wezen uit de Griekse mythologie dat alleen door Heracles overwonnen kan worden.
Maar misschien overdrijft het tweetal om hun verhaal kracht bij te zetten. Waarom zouden ze dat doen? Geen idee. Maar het kan. Morgen zullen wij het echte antwoord weten als twee van onze jongens beginnen aan de beklimming en het hopelijk zonder kleerscheuren succesvol afronden, zodat ze het vol trots kunnen navertellen op hun veel geanticipeerde Halloween feest.
Diezelfde nacht schrik ik wakker en stapt een schim door de deuropening naar binnen, neemt plaats in bed, duikt weg onder de dekens en valt vrijwel direct in slaap. Ik heb geen idee wie het is maar ik heb een donkerbruin vermoeden.
In de vroege ochtend schuif ik aan bij het ontbijt en wordt verwelkomd door een lijkbleek gezicht. Het is een van de jongens die gistermiddag vertrokken is en klopte mijn vermoeden dus. Hij is vannacht teruggekomen.
“Kerel, gaat alles goed met je?” vraag ik.
“Kan beter.” mompelt hij. Met zijn hoofd naar beneden hangend staart hij met een levenloze blik naar het bord voor hem. Geen hap gegeten. Bestek ligt roerloos op zijn plek.
“De verhalen van gisteren kan ik bevestigen.” gaat hij verder.
“Ik ga niet te veel in details treden, wil je niet nerveus maken, maar maak je borst maar nat. De nacht, de duisternis, het beest, alsof je in het hol van de leeuw bent. Ik heb het niet kunnen temmen en mag van geluk spreken dat ik de uitgang heb weten te vinden.”.
Stilte valt en kijk ik de Engelsman aan, maar zijn blik dwaalt af. Ik leg mijn bestek neer en is mijn eetlust verdwenen, als op dat moment mijn gids genaamd Eyollo de kleine provisorische eetzaal binnenloopt en aangeeft dat we gaan vertrekken naar het volgende en laatste kamp.
Mijn alarm gaat af en ik ben klaarwakker. De wijzers vertellen mij dat het iets voor middernacht is en heb ik sinds zes uur geen oog dichtgedaan. Op advies van mijn gids probeerde ik een paar uur te slapen aangezien het een lange nacht en ochtend zou worden, maar door hoogteziekte en nervositeit heb ik de lattenbodem van het stapelbed boven mij in detail bestudeerd. Zestien latjes. Eikenhout en daarbovenop rustte niemand.
Het stenen huisje, dat veel weg heeft van een kleine middeleeuwse kerk, heeft mij op een hoogte van 5200 meter uitstekend beschermd van de elementen. Het licht in de slaapzaal staat nog steeds aan en is nooit uit geweest. Ik gooi mijn rechterbeen over de bedrand en stap met al mijn kleding nog aan het bed uit, loop naar de eettafel aan de voorkant van het bouwwerk toe, tref mijn gids aan en wisselen een goede morgen uit. De oudere man, die ik overigens ver in de zestig schat vertelt mij om mij om te gaan kleden en twijfel geen moment.
Gebrek aan slaap, hoogteziekte en weinig kennis heb ik geen idee hoe ik een harnas en een paar stijgijzers moet vastmaken. Handen beven van de kou en angst en vraag ik mijn begeleider om hulp. Zijn wenkbrauwen schieten vragend omhoog en kan ik aan zijn gezicht aflezen dat hij niet onder de indruk is van mijn benadering. Voordat hij het harnas van mij aanneemt, schiet iets urgents omhoog en ren naar buiten, duik het bijgebouw in en overval het toilet.
Met behulp van Eyollo, ben ik na een korte onderbreking klaar om te beginnen, al is dit wel met een gezicht zo wit als sneeuw en wordt bij het naar buiten stappen mijn partner in crime aangewezen. Een derde persoon met wie ik mijn angst, frustratie, zweet en tranen mag delen en met wie ik naast de Boliviaanse gids aan het touw vastgebonden wordt. Zijn naam is Gareth, een kleine Ier die Gallisch leert.
Huizenhoge rotsen worden getrotseerd, obstakels met touwen overwonnen en vliegen de eerste hoogtemeters ongehinderd voorbij. De nacht is als een blinddoek en bevind ik mij in een omgeving die alleen zichtbaar en gedetailleerd wordt door de penetrerende stralen van onze hoofdlampen. Als je mij vertelt dat ik op het punt sta om een 6000 meter hoge berg te beklimmen, verklaar ik je voor gek.
Granieten stenen verdwijnen in de duisternis en sneeuw komt tevoorschijn. Stijgijzers worden aangetrokken en knoopt Eyollo het touw vast aan mijn harnas en zullen wij voor de aankomende twaalf uur met Gareth in drietal verbonden zijn.
In een trein stijgen we met tientallen anderen naar een voor mij nooit eerder bereikte hoogte. Met sneeuw knarsend onder onze schoenen fixeer ik mijn blik op het oranje, elastische touw voor mij en de lichten die als lantaarns langs een snelweg het pad naar de top creëren. De wereld om mij heen is een wit canvas. Blanco, leeg, onbekend en het enige dat ik weet, is dat ik omhoog loop. Waarheen, dat laat ik over aan de verbeelding.
Duidelijk geacclimatiseerd voor deze hoogte gaan de eerste meters voorspoedig en zonder noemenswaardige problemen. Tot op heden is het een doodgewone wandeling maar dan met een aanzienlijk zware ademhaling en geen zuurstof om naar te happen. Echter aan al het mooie komt een eind en zie ik de hoofdlampen van de voorgangers verticaal omhoog gaan en verschijnt het eerste obstakel waar ik voor gewaarschuwd ben pal voor mij. De IJswand.
Ik slaak een diepe zucht en sta te beven van angst. In het diepst van de nacht is het kale canvas beschilderd met een dertig meter hoge wand van eeuwenoud, turqouis blauw gletsjerijs. Voor de eerste tien meter is er met stalen schroeven een touw bevestigd dat fungeert voor het zelfvertrouwen, althans dat vermoed ik. Daarna is het ieder voor zich en mag ik zelf een weg omhoog freestylen. Twintig meter ijsklimmen zonder ervaring, zonder gezekerd te zijn, vastgeknoopt aan een zestig jaar oude gids en een onbekende Ier die lesgeeft in een eeuwenoude, vergeten taal. Tot overmaat van ramp bevindt zich onderaan de wand een crevasse, een grot. Ik schijn mijn hoofdlamp de gleuf in en zie mijn licht in de eindeloze leegte verdwijnen.
Terwijl ik wacht op een twee meter brede ronde ijskegel, die omringd is door het onbekende van de grot onder mij, vallen door het fanatiek gebeitel van de gids boven mij, stukjes ijs naar beneden en kletteren op mijn helm. “Vamos!” schreeuwt Eyollo en is voor mij het signaal om te starten.
De ijsbijl gaat eerst en zwaai de metalen punt richting het ijs, ijssplinters vliegen om de oren en boort de bijl zich vast. Ik controleer of het hulpmiddel stevig vastzit en schop dan de stijgijzers richting de wand. Ik herhaal de stappen, doe dezelfde controle en stap voor stap, met een hand aan het touw vastgeklemd, klim ik omhoog. Het enige geluid dat ik hoor in de duisternis is het gekletter van ijsbijlen die in contact komen met ijs.
Tien meter wordt geklommen en bereik ik het einde van het touw en vraag mezelf af waarom er geen dertig meter lang touw bevestigd is. Maar die vraag lost niks op en is volslagen zinloos in de huidige situatie. Het moet zonder assistentie gedaan worden en begin zorgvuldig aan de volgende twintig meter. Inmiddels is Gareth ook begonnen met het klimmen en voel ik mijn hart met elke meter sneller in mijn keel bonzen. Focus. IJsbijl. Linker stijgijzer. Rechter stijgijzer. IJsbijl. Linker. Rechter. Door gebrek aan zuurstof beland ik in een trans en verdwijnt de angst. Zonder naar beneden of boven te kijken baan ik een weg verder omhoog tot de rand bereikt is.
Het is nog steeds pikkedonker en is daarnaast de lucht zo ijl dat het lijkt alsof iemand de zuurstofkraan volledig heeft dichtgedraaid. Gareth en ik hebben het na de laatste beproeving aanzienlijk zwaarder, wat resulteert in het continu nemen van korte pauzes waarin we als een drenkeling naar adem snakken.
We lopen gestaag verder door een plateau beladen met stalagmieten gemaakt van ijs. Het is lastig om doorheen te navigeren en nog lastiger om fatsoenlijk doorheen te manoeuvreren. Gelukkig is de verticale stijging afgenomen en volgt onze weg over gematigd vlak terrein naar ons volgende obstakel.
Wederom ben ik genoodzaakt om te stoppen en snak ik naar adem als het touw tussen mij en de gids strakker komt te staan, tot op het punt dat het volledig gespannen is. Het is het signaal voor onze gids Eyollo dat zijn klimpartner(s) tot stilstand zijn gekomen. Normaal gesproken communiceer je dit met elkaar, maar hiervoor ontbreekt het bij mij aan energie. Ik heb elk beetje nodig om dit avontuur met succes af te ronden.
Achter de omliggende pieken begint de zon langzaam zijn aanwezigheid te tonen en luidt daarmee het volgende hoofdstuk in. Terwijl alles om ons heen nog steeds aardedonker is, zien we links van ons het licht van hoofdlampen verschijnen. De lampen reiken ver de lucht in en is het teken van de laatste beproeving.
De officiële toppoging.
Eyollo heeft ons nog geen tien minuten geleden ons er op gewezen dat wij op 5900 meter zitten en daarmee dus nog eens een goede 188 meter verwijderd zijn van het almachtige doel. Ik krijg een donkerbruin vermoeden dat de aankomende uren doorslaggevend gaan zijn en schuifel in trans verder door het sneeuw en ijs als we niet veel later tot een halt worden geroepen.
Het is een akelig bericht in een combinatie van Spaans en Engels die mijn vermoeden bevestigt.
“Next part muy, muy difícil.“ zegt Eyollo